%Character.Entities; ]> Official Journal of the European Communities, Written Questions (1993), Series C Volume 36 Number 137 Language Dutch MLCC Machine readable version 1994 This TEI conformant electronic version edited by the MLCC project, 15 September 1994. This file (ignoring this header) is 210533 bytes long, its text includes 23993 words.

This electronic version was produced by the Multilingual Corpora for Cooperation (MLCC) project funded by the European Union. It has been converted to use the ISO-LATIN-1 character set (where possible) and to be TEI(P3) conformant SGML.

This file is available for non-commercial purposes only on signature of the MLCC User Agreement form.

The original electronic version of this file was produced by the Office of Publications of the European Community (OPOCE). It was marked-up using the FORMEX (Formalized Exchange of Electronic Publications) SGML standard.

This version produced by the Language Technology Group, Human Communication Research Centre, University of Edinburgh for the MLCC and MULTEXT projects of the European Community.

For a description of the SGML tags used in this corpus and the methods used to convert it to TEI SGML, see the associated file editdecl.txt.

Dutch 15 September 1994 David McKelvie Masja Kempen Processing of original corpus files into TEI conformance.
[RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.DATE STD="YES" TYPE="REC" date="19930517"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.BODY an="PD" ] [RECORD.DATE STD="YES" TYPE="PUB" date="19930515"] [RECORD.PART volumn="36" series="C" number="137" ] [RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0001/01/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2444" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="01" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="1" ordpage="1" ] [RECORD.CLASS class="992E24440000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2444/92 van de heer Gordon Adam (S) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (8 oktober 1992) (93/C 137/01) Betreft: Europees Sociaal Fonds-betalingen aan Britse vrijwilligersorganisaties

Onlangs zijn er door het ESF betalingen verricht voor door Britse vrijwilligersorganisaties geëntameerde projecten die in januari 1992 gestart zijn. Mij is ter ore gekomen dat enkele afsluitende betalingen voor dergelijke projecten over 1990 en 1991 nog steeds achterstallig zijn. Doordat deze gelden zo laat binnen komen, worden de financiën van vrijwilligersorganisaties ernstig ontwricht en is het aantal beschikbare stageplaatsen verminderd.

Ook het huidige tijdschema voor 1993 geeft reden tot bezorgdheid omdat er weer dezelfde vertragingen bij de uitbetaling van leningen kunnen ontstaan.

Kan de Commissie meedelen hoeveel betalingen aan Britse vrijwilligersorganisaties over 1990 en 1991 achterstallig zijn en waarom er zulke ernstige vertragingen optreden?

Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de eerste ESF-betalingen heel vroeg in 1993 zullen plaatsvinden en dat de laatste betalingen over 1992 vóór medio 1993 verricht worden?

Antwoord van de heer Flynn namens de Commissie (18 februari 1993)

De werkwijze van de drie Structuurfondsen (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de afdeling Oriëntatie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw en het Europees Sociaal Fonds) werd in 1988 herzien zodat de selectie en het beheer van de afzonderlijke projecten overging naar de regeringen van de Lid-Staten of door hen aangewezen instellingen. Voor het ESF vond deze herziening in 1990 plaats. De Commissie beheert deze fondsen door middel van ruimer opgezette operationele programma's in het kader van de communautaire bestekken, die gezamenlijk met de Lid-Staten zijn overeengekomen. Wat in het bijzonder het ESF betreft, kan de Lid-Staat wel honderd verschillende afzonderlijke projecten hebben gekozen ten einde een enkel operationeel programma ten uitvoer te leggen. De identiteit en de details van dergelijke projecten zijn de controlecomités van de verschillende operationele programma's bekend en vormen voor de Commissie de basis voor de uitbetalingsverzoeken die door de nationale autoriteiten aan haar zijn gedaan. De Commissie beschikt echter niet over details van uitgevoerde betalingen of betalingen die door deze autoriteiten gedaan moeten worden aan vrijwilligersorganisaties in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie kan derhalve geen lijst van betalingen verstrekken die nog moeten plaatsvinden waarmee financiële steun van het Europees Sociaal Fonds is gemoeid.

Betalingen door de Structuurfondsen vinden plaats op basis van verzoeken die bij de Commissie door de nationale autoriteiten ten aanzien van ieder operationeel programma voor ieder fonds worden gedaan. Deze betalingen vinden voor ieder jaar van het programma in drie fases plaats: een eerste voorschot van 50 % op de bijdrage van de Commissie, een tweede voorschot van 30 % wanneer de Lid-Staat verklaart dat hij de helft van het eerste voorschot heeft gebruikt en het saldo van 20 % bij overlegging van correcte afrekeningen voor het genoemde jaar, binnen zes maanden na het einde van de boekhoudkundige periode. Betalingen voor jaren na het eerste jaar vinden slechts plaats na overlegging van correcte afrekeningen over vroegere jaren.

Vorderingen voor het saldo over 1992 worden waarschijnlijk in juni 1993 door de Britse autoriteiten ingediend en worden betaald wanneer zij zijn geverifieerd en in orde blijken te zijn. Voorschotten voor 1993 zullen worden betaald na ontvangst van de verklaring dat voor ieder operationeel programma op de juiste wijze gebruik is gemaakt van de bijdrage van de Commissie over 1991 en 1992. De Commissie neemt aan dat de werkzaamheden inzake de saldovorderingen in het Verenigd Koninkrijk op bevredigende wijze verlopen en een aantal verklaringen inzake de tenuitvoerlegging is reeds ontvangen; zo kunnen de betalingen van de overeenkomstige voorschotten voor 1993 waarschijnlijk in het nieuwe jaar plaatsvinden.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0002/01/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2485" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="02" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="2" ordpage="1" ] [RECORD.CLASS class="992E24850000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2485/92 van Lord Inglewood (PPE) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (12 oktober 1992) (93/C 137/02) Betreft: Industriële visserij

Beschikt de Commissie over gegevens volgens welke bewijsmateriaal dat is gebaseerd op multispecies-studies over de gevolgen van de industriële visserij, handhaving van de huidige vangstniveaus rechtvaardigt?

Antwoord van de heer Marín namens de Commissie (26 november 1992)

In augustus 1992 heeft de Commissie een bijeenkomst georganiseerd van wetenschapsmensen uit Denemarken en het Verenigd Koninkrijk voor een evaluatie van de effecten van de industriële visserij (d.w.z. de visvangst voor verwerking tot vismeel of -olie) op de belangrijkste visbestanden in de Noordzee. De resultaten van de evaluatie kunnen als volgt worden samengevat:

a) De omvang van de bestanden van de twee belangrijkste doelsoorten van de industriële visserij, kever en zandspiering, fluctueert sinds het midden van de jaren tachtig, zonder dat in die schommelingen een tendens valt te onderkennen. De andere doelsoort van de industriële visserij in de Noordzee is sprot; voor deze soort is er momenteel geen raming van de huidige situatie van het bestand, maar wel zijn de visserijbiologen het er algemeen over eens dat het bestand aan de kleine kant is.

b) Verlaging van de visserij-intensiteit van de industriële visserij zou een gunstig effect hebben op de aanvoer van wijting, haring en in mindere mate schelvis. Het effect voor kabeljauw zou vrijwel nihil zijn en er zou geen effect zijn voor schol en tong.

Er mag echter niet vergeten worden dat voor bovengenoemde gunstige effecten wordt &dlqm;betaald&dqmr; via nadelen voor de industriële visserij met de daaraan verbonden maatschappelijke en economische onrust. Verder wijzen andere werkzaamheden, gebaseerd op de resultaten van multispeciesonderzoek, er onder andere op dat de aanvoer van schelvis en wijting aanzienlijk zou kunnen stijgen als de vissersvloten voor menselijke consumptie die deze soorten vangen, daarvan veel minder opnieuw in de vorm van ongewenste bijvangst zouden teruggooien, anders gezegd de visserij voor menselijke consumptie benadeelt zichzelf.

Het is zonder meer duidelijk dat verdere evaluatie nodig is zowel van de effecten van de industriële visserij, als van de nadelige consequenties van andere takken van visserij.

Dit is de reden waarom de Commissie in het recente verslag, dat tijdens de vergadering van 23 november 1992 bij de Raad is ingediend (1), in detail heeft toegelicht waarom meer diepgaande studies over de effecten van de visserij in de Noordzee en de aangrenzende wateren nodig zijn.

(1) Doc. SEC(92) 2046 def.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0002/02/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2513" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="03" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="2" ordpage="2" ] [RECORD.CLASS class="992E25130000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2513/92 van de heer Sotiris Kostopoulos (NI) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (12 oktober 1992) (93/C 137/03) Betreft: Vrouwenhandel

Vrouwenhandel is altijd een vorm van slavernij die gekenmerkt wordt door psychisch en/of lichamelijk geweld en gedwongen prostitutie. In de meeste Lid-Staten ontbreekt een beleidsmatige aanpak van dit vraagstuk, vooral ten aanzien van vrouwen die afkomstig zijn uit de landen van het voormalige Oostblok.

Acht de Commissie het noodzakelijk dat er een beleid komt dat berust op het zelfbeschikkingsrecht en een menselijke behandeling van deze vrouwelijke slachtoffers?

Antwoord van mevrouw Papandreou namens de Commissie (5 januari 1993)

Het optreden van de Commissie ten behoeve van vrouwen moet worden geplaatst in het kader van artikel 119 van het EEG-Verdrag en de verschillende richtlijnen die op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn aangenomen. Deze hebben ten doel de directe of indirecte discriminaties tegenover vrouwen op het gebied van de werkgelegenheid en meer in het algemeen op de arbeidsmarkt af te schaffen.

De Commissie is derhalve niet voornemens om maatregelen te nemen op het gebied van vrouwenhandel en het psychisch en/of lichamelijk geweld tegen vrouwen.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0003/01/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2545" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="04" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="3" ordpage="1" ] [RECORD.CLASS class="992E25450000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2545/92 van mevrouw Simone Veil (LDR) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (27 oktober 1992) (93/C 137/04) Betreft: Specifieke maatregelen ten gunste van de buitengewesten van de Europese Gemeenschap

Hoewel de Franse overzeese gebiedsdelen niet worden opgenomen in het Cohesiefonds, hebben de regeringen van de twaalf Lid-Staten in Maastricht toegezegd maatregelen te zullen nemen waardoor deze regio's het gemiddelde economisch en sociaal niveau van de Gemeenschap zullen kunnen bereiken.

Welke specifieke maatregelen denkt de Commissie te nemen om bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van deze regio's?

Antwoord van de heer Delors namens de Commissie (16 februari 1993)

De verklaring betreffende de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap, welke als bijlage aan het Verdrag van Maastricht is gehecht en waarop het geachte Parlementslid doelt, bevestigt en verduurzaamt de benadering waarbij in het Europese beleid rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van deze gebieden. Deze benadering is ingeleid door de goedkeuring van het Poseidom-programma (1) en vervolgens toegepast op de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira. In deze verklaring wordt er op gewezen dat het mogelijk blijft &dlqm;specifieke maatregelen te hunnen gunste te nemen voor zover en zolang er objectief behoefte bestaat aan dergelijke maatregelen met het oog op de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden&dqmr;.

Poseidom, dat een kader-actieprogramma is, en niet aan een tijdsduur is gebonden, heeft als leidend beginsel dat rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de Franse overzeese departementen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid. Dit beginsel heeft een algemene strekking en heeft reeds in concreto vorm gekregen in de goedkeuring van specifieke maatregelen, met name in de volgende sectoren:

— erkenning van een bijzondere fiscale regeling voor de Franse overzeese departementen (hervorming van de &dlqm;octroi de mer&dqmr; (2) en handhaving na 1992 van bijzondere BTW-regelingen (3) en accijnsregelingen (4), ook voor de traditionele rum, afkomstig uit de Franse overzeese departementen en in het Franse moederland verbruikt (5));

— specifieke voorziening op landbouwgebied (specifieke stelsels van toelevering, met financiële steun speciaal gericht op de plaatselijke produkties en wijziging van de geldende structurele wetgeving (6));

— instelling van een versterkte steunregeling ten behoeve van de oprichting van producentenorganisaties in de sector visserijprodukten (7);

— wijziging van het stelsel betreffende de vrije zones en de vrije entrepôts (8);

— specifieke structurele maatregelen voor de sectoren bananen en suikerriet/suiker/rum (9).

Andere specifieke maatregelen worden uit hoofde van Poseidom bestudeerd, samen met de betrokken nationale en regionale autoriteiten.

Het feit dat in het communautaire beleid rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de Franse overzeese departementen komt naast de prioritaire bijstandsverlening door de Structuurfondsen in deze regio's van doelstelling 1, zoals deze bij Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad (10) is omschreven. Op basis van de door iedere regio ingediende ontwikkelingsprojecten zijn op 31 oktober 1989 door de Commissie communautaire bestekken 1989—1993 goedgekeurd. Deze hebben voor de Franse overzeese departementen betrekking op een totaal aan communautaire middelen van 751 miljoen ecu (prijzen 1989). Deze bedragen zijn in 1991 en 1992 verhoogd door de aanneming van programma's voor communautaire initiatieven voor een bedrag van 120 miljoen ecu (prijzen 1992), waarvan 95 miljoen ecu uit hoofde van het Regis-initiatief dat specifiek gericht is op de ultraperifere gebieden.

Voor de volgende periode van programmering van de bijstandsverlening door de Structuurfondsen, worden volgens het pakket Delors II, zoals dit op de Europese Raad van Edinburgh is goedgekeurd, de middelen van de Structuurfondsen ten behoeve van de gebieden van doelstelling 1, waaronder de Franse overzeese departementen, aanzienlijk verhoogd.

(1) Besluit 89/687/EEG van de Raad (PB nr. L 399 van 31. 12. 1989).(2) Beschikking 89/688/EEG van de Raad (PB nr. L 399 van 31. 12. 1989).(3) Richtlijn 91/680/EEG van de Raad (PB nr. L 376 van 31. 12. 1991).(4) Richtlijn 92/12/EEG van de Raad (PB nr. L 76 van 23. 3. 1992).(5) Richtlijn 92/83/EEG van de Raad (PB nr. L 316 van 31. 10. 1992).(6) Verordening (EEG) nr. 3763/91 van de Raad (PB nr. L 356 van 24. 12. 1991 en de verordeningen van de Commissie tot uitvoering daarvan).(7) Verordening (EEG) nr. 1603/92 van de Raad (PB nr. L 173 van 27. 6. 1992).(8) Verordening (EEG) nr. 1604/92 van de Raad (PB nr. L 173 van 27. 6. 1992).(9) Beschikking C(92) 2116 van de Commissie.(10) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0004/01/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2549" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="05" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="4" ordpage="1" ] [RECORD.CLASS class="992E25490000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2549/92 van de heer Víctor Manuel Arbeloa Muru (S) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (27 oktober 1992) (93/C 137/05) Betreft: Aanmoedigen van artistieke en literaire activiteiten

Aan welk soort artistieke en literaire activiteiten denkt de Commissie wanneer zij het heeft over steun voor deze doeleinden in haar mededeling COM(92) 149 def., ten einde de oprichting van een geschikt kader voor de ontwikkeling van de cultuur in Europa te bevorderen?

Antwoord van de heer Pinheiro namens de Commissie (18 februari 1993)

De uitdrukking &dlqm;scheppend werk op artistiek en literair gebied&dqmr; is door artikel 128 van het Verdrag betreffende de Europese Unie geïntroduceerd. In beginsel wordt door de mededeling van de Commissie (1) geen enkel soort scheppend werk, d.w.z. geen enkel scheppend werk op artistiek gebied (toneel, muziek, beeldende kunsten, enz.) uitgesloten. De Commissie beperkt zich ertoe te wijzen op de maatregelen die zij voornemens is te treffen ten behoeve van scheppend werk op artistiek en literair gebied, zonder onderscheid naar soort.

De Raad van ministers zal, gezien enerzijds het subsidiariteitsbeginsel en anderzijds de beschikbare budgettaire middelen, overeenkomstig de bij artikel 128 vastgestelde procedure met het Europese Parlement moeten vaststellen welke sectoren prioriteit hebben.

(1) Doc. COM(92) 149 def.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0004/02/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2562" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="06" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="4" ordpage="2" ] [RECORD.CLASS class="992E25620000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2562/92 van mevrouw Guadalupe Ruiz-Giménez Aguilar (LDR) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (27 oktober 1992) (93/C 137/06) Betreft: Evaluatie van de samenwerkingsprojecten

Kan de Commissie mededelen op welke manier de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden wordt gecontroleerd en geëvalueerd, met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid en het rendement ervan, met name gezien de toenemende complexiteit van de financiële instrumenten en de steunmaatregelen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord van de heer Marín namens de Commissie (17 februari 1993)

De regeling voor toezicht (&dlqm;monitoring&dqmr;) en evaluatie die de Commissie toepast om ervoor te zorgen dat haar hulpverlening ten behoeve van de ontwikkelingslanden doelmatig verloopt, is even complex als de voor haar ontwikkelingsmaatregelen en -instrumenten kenmerkende verscheidenheid. Een en ander kan als volgt beknopt worden beschreven:

— Het toezicht op de werkzaamheden wordt uitgeoefend door de delegaties van de Commissie in de ontwikkelingslanden en door de diensten in Brussel, en met name de voor een bepaald geografisch of technisch gebied bevoegde eenheden. In de praktijk gebeurt dit door middel van werkbezoeken op het terrein, controleverslagen, permanent overleg met de projectlanden, vergaderingen, enz. Het toezicht kan zo nodig worden toevertrouwd aan een team voor technische bijstand dat belast is met de controle op de goede uitvoering van het project en het waarschuwen van de bevoegde instanties als er ernstige problemen rijzen die een hinderpaal kunnen vormen voor het goede verloop van het project.

— De Commissie beschouwt de evaluatie van de hulp als een beheersinstrument en een permanent proces van kritische beoordeling tijdens de hele looptijd van het project. Centraal staat het duurzaam effect van het project (of, anders geformuleerd, de vraag of het project voordelen voor de doelgroep zal blijven opleveren, ook als de buitenlandse hulp is afgelopen), hetgeen afhangt van vele economische, politieke en sociale factoren.

— Evaluaties kunnen per sector, instrument of onderwerp worden uitgevoerd en kunnen algemeen of specifiek zijn. Zij worden uitgevoerd door consultants, aan wie over het algemeen een opdracht wordt gegund na een in de Lid-Staten gehouden niet-openbare inschrijving die wordt gefinancierd met middelen van de algemene begroting van de Commissie of met middelen van het project (met instemming van het projectland).

Krachtens de Vierde Overeenkomst van Lomé dienen het toezicht en de evaluatie van de uit het EOF gefinancierde projecten samen met de ACS-Staten te worden uitgevoerd. De resultaten van de evaluaties worden gebruikt om de beoordeelde projecten zo nodig bij te stellen of om er lering uit te trekken voor de voorbereiding van nieuwe projecten op hetzelfde gebied.

De Commissie heeft in 1992 voor de samenwerking met de ACS-Staten een samenhangende regeling ingevoerd voor het beheer van de projectcyclus, bestaande uit de voorbereiding, uitvoering en evaluatie, aan de hand van het projectschema (Logical Framework). Na een periode die lang genoeg is om lering te trekken, zal de Commissie wellicht in 1994 of 1995 verslag uitbrengen over de ervaringen met deze nieuwe regeling.

[RECORD.REF id="FXAC93137NLC/0005/01/00-1" secid="FXAC93137NLC" type="vert" BIBLEV="s" SEGIND="0" SEGREL="W2" ] [RECORD.COMPL compl="C"] [RECORD.LA lang="NL"] [RECORD.MAT vjur="L65" corrid="ORIG" section="C1" ] [RECORD.ID scheme="WQ" year="92" num="2573" ] [RECORD.ID scheme="JO3" year="93" num="07" journal="137" ] [RECORD.BODY role="020" an="PE" ] [RECORD.PART page="5" ordpage="1" ] [RECORD.CLASS class="992E25730000000000" scheme="CLX" ] SCHRIFTELIJKE VRAAG Nr. 2573/92 van de heer Gerardo Fernandez-Albor (PPE) aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (27 oktober 1992) (93/C 137/07) Betreft: Spaanse bepalingen inzake heffingen bij de aanwerving van buitenlandse werknemers

Volgens de bepalingen van de Spaanse vreemdelingen- en belastingwetgeving moet een ondernemer die voor het eerst een buitenlander in dienst neemt een heffing van veertigduizend peseta betalen, en nog eens vijftienduizend peseta bij elke jaarlijkse vernieuwing van de arbeids- en verblijfsvergunning. De werknemer zelf betaalt duizend peseta.

Afgezien van de te betalen som hebben deze bepalingen nogal wat vragen opgeroepen bij de betrokken groepen, die niet helemaal inzien op welke gronden deze bepalingen kracht van wet kan worden verleend.

Kan de Commissie, rekening houdend met de communautaire bepalingen terzake, meedelen of de bepalingen waarin wordt gesteld dat Spaanse werkgevers een heffing bij aanwerving en bij de jaarlijkse vernieuwing van het contract moeten betalen, in overeenstemming zijn met de communautaire arbeidswetgeving, en in hoeverre deze Spaanse bepalingen van toepassing zijn op burgers uit de Gemeenschap die in Spanje werkzaam zijn?

Antwoord van de heer Flynn namens de Commissie (25 februari 1993)

De door het geachte Parlementslid bedoelde wettelijke bepalingen zijn in het licht van het communautaire recht onderzocht.

Het betreft Wet nr. 29/86 van 20 juni 1986, gewijzigd bij Wet nr. 37/88 van 28 december 1988 betreffende de algemene begroting van de Staat voor 1989 (Staatscourant van 29 december 1988), waarin de fiscale heffing voor de afgifte van arbeidsvergunningen wordt behandeld.

Genoemde bepalingen betreffen de afgifte van arbeidsvergunningen en zijn derhalve niet van toepassing op werknemers die uit de Gemeenschap afkomstig zijn. Deze zijn op grond van het communautaire recht vrijgesteld van de verplichting een dergelijk document aan te vragen.